dinsdag 1 april 2014

Ronner Knip Henriette


Een schitterend Belgisch artieste, vooral bekend om haar dieren meer bepaald katten.

Wikipedia schrijft hierover
Persoonsgegevens

Zij was het tweede kind van Josephus Augustus Knip (1777-1847), kunstschilder, en van Cornelia van Leeuwen (1790-1848) (zij woonde samen met Knip maar was niet zijn echtgenote; de echtgenote leidde een afzonderlijk leven en Josephus zou pas later scheiden van haar in 1824). Henriëtte Knip huwde op 14 maart 1850 te Amsterdam met Feico Ronner (1819-1883) uit Dokkum. Ze hadden zes kinderen: Marie-Thérèse (1851-1852), Alfred Feico (1852-1901), Edouard (1854-1910), Marianne-Mathilde (1856-1946), Alice (1857-1957) en Stéphanie-Emma (1860-1936) .

Alfred Ronner, Alice Ronner en Emma Ronner werden alle drie kunstschilder; Edouard Ronner werd advocaat.

Henriëtte Ronner-Knip woonde te Brussel op diverse adressen: Regenstschapstraat, 7 (ca. 1850-1854) (in 1852 vinden echter we ook de Karnemelkstraat in Sint-Joost-ten-Node als adres opgegeven), Rogierlaan 157 (ca. 1854-1856), Etterbeeksesteenweg 172 (ca. 1856-71), Maelbeekstraat (1871-1873), Verlaatstraat 19 (1873-1878), dan haar belangrijkste adres Vleurgatsesteenweg 51 (1878-1903), en tenslotte inwonend bij haar dochters in de Gachardstraat 43 (1903-1909)..

De voorouders: ook al kunstenaars
De familie Knip telde in de twee generaties vóór Knip reeds tal van kunstschilders. Het lag dus voor de hand dat de kinderen in dezelfde richting georiënteerd werden en in die artistieke sfeer opgroeiden.

Levensloop
Knip verhuisde nog als baby met haar ouders mee naar 's-Hertogenbosch. In 1823 trok haar vader met zijn gezin naar Parijs om pas in 1827 naar Nederland (Vught) terug te komen. Inmiddels was hij blind geworden aan één oog.

Jeugd, opleiding
Ondanks zijn zwak zicht verzorgde Knips vader, met ijzeren discipline, zelf de artistieke opvoeding van zijn dochter en die van haar broer August, en wel vanaf hun vijfde levensjaar. In 1833 verhuisde het gezin Knip na een kort verblijf in Den Haag, naar Beek (Nijmegen). Enkele jaren later ging het gezin terug naar ’s-Hertogenbosch en omstreeks 1840 ten slotte naar Berlicum (nabij ’s-Hertogenbosch). Gaandeweg nam Knip de zorg van de financiën en het huishouden op zich.

Wellicht bleef ze tot na de dood van haar moeder in 1848 te Berlicum wonen; daarna verhuisde ze naar Amsterdam. Te Beek, ’s-Hertogenbosch en Berlicum werkte Knip vooral naar de natuur : vee, huisdieren, hoeven, velden, bossen, e.d., eerst in potlood en aquarel en gaandeweg ook in olieverf. Haar eerste ernstig werkstuk ontstond in 1835 en werd uitgevoerd in samenwerking met haar broer August: "De boerderij van de Prins van Oranje nabij Tilburg".

Onmiddellijk succes
Vanaf 1836 stuurde ze met groot succes schilderijen in naar de salons: Noord-Brabantse landschappen, dorpsmarkten, hoevetaferelen, stallingen, scènes met huisdieren, vee, duiven, jachthonden en apen, alles in een romantische stijl. Voorbeelden daarvan zijn: "Wit poesje tuurt een hommel na bij het venster" (Düsseldorf, Salon 1836), "Het park te Heeze" (Amsterdam, Tentoonstelling Levende Meesters, 1838), "Landschap met koeien en schapen" en "Landschap met meisje dat schapen en een geit hoedt" (Antwerpen, Salon 1840).

Naar Brussel
In 1850, kort na hun huwelijk, verhuisden Henriëtte Knip en haar man Feico Ronner naar Brussel, Regentschapstraat 7 in Sint-Joost-ten-Node, het eerste van een hele rij Brusselse addressen. Feico zorgde voor de zaken en regelde de geldzaken en de briefwisseling.

Henriëtte Ronners verhuis naar Brussel valt ongeveer samen met een duidelijke verenging van haar onderwerpskeuze: zij legde zich voortaan voornamelijk toe op taferelen met hondenkarren, honden en –later- salonpoezen Voorbeelden zijn. "De dood van een vriend", een groot doek van 180 bij 250 cm met de sentimentele voorstelling van een dode trekhond (Brussel, Salon 1860); "De mens en zijn vrienden" en "Jachthonden" (Antwerpen, Salon 1861).

Haar beroemde taferelen met langharige poezen in burgersalons ontstonden meestal pas na 1870. Het zijn vooral deze taferelen met hun fenomenale textuurweergave en hun anekdotisch karakter, die Henriëtte Ronner haar blijvende roem bezorgden. Die poezenscènes zijn eerder accessoirestillevens, verlevendigd met lieve, speelse poezen en kattenjongen.

Knip was tegelijk een gereputeerde portrettiste van honden en poezen en vereeuwigde als dusdanig de schoothondjes van koningin Maria Hendrika en van Maria van Hohenzollern-Sigmaringen, gravin van Vlaanderen.

Aan haar tijdgenoot, de kunstkenner J. Gram, danken we enige gegevens over haar levenswijze op latere leeftijd, toen ze reeds aan de Vleurgatsesteenweg woonde. In de grote tuin achter haar huis hield ze tal van (jacht)honden, poezen en een papegaai in speciaal ingerichte verblijven. Geregeld werden de dieren naar het atelier gehaald om te poseren, hetzij vrij rondlopend, hetzij geplaatst in een glazen kooi. Eens de voorstudies met de gewenste poses voorbij, zette Knip de contouren van de dieren om in grove papieren sculpturen en ze zette die op de gewenste plaatsen in de montage voor het schilderij, die meestal uit antieke meubels, gedrapeerd textiel en allerlei antiquiteiten bestond. Ook hield ze een inventaris van haar productie bij in de vorm van kleine waterverfschetsen, die een soort "Liber Veritatis" van haar oeuvre vormen. Haar persoon deed Gram aan de musicus Franz Liszt denken: een mannelijk type met fel-witte haren en een zware stem















































Werk in juni 2014 verkocht voor 10000 euro in veilingzaal Rops




Cornelis Raaphorst
De rattenvangers. Het werk is niet gesigneerd maar wel toegeschreven aan Henriette.





























Rönner, afkomstig van Amsterdam, specialiseerde zich in landschappen en dierschilderingen. Haar vader, Josephus Augustus Knip, was haar leermeester die haar de liefde voor het onderwerp meegaf. Net als hem schilderde ze al gauw in opdracht voor de bourgeoisie, zo ook voor de toenmalige koningin van België en de gravin van Vlaanderen. Dit schilderij met de voorstelling van een oud vrouwtje is uniek, in die zin dat Rönner zich zelden op portretten of figuraties van mensen concentreerde. Te dateren rond 1850-1870.

Haar beroemde taferelen met langharige poezen in burgersalons ontstonden meestal pas na 1870. Het zijn vooral deze taferelen met hun fenomenale textuurweergave en hun anekdotisch karakter, die Henriëtte Ronner haar blijvende roem bezorgden. Die poezenscènes zijn eerder accessoirestillevens, verlevendigd met lieve, speelse poezen en kattenjongen.
Knip was tegelijk een gereputeerde portrettiste van honden en poezen en vereeuwigde als dusdanig de schoothondjes van koningin Maria Henriette en van Maria van Hohenzollern-Sigmaringen, gravin van Vlaanderen.
Aan haar tijdgenoot, de kunstkenner J. Gram, danken we enige gegevens over haar levenswijze op latere leeftijd. In de grote tuin achter haar huis hield ze tal van (jacht)honden, poezen en een papegaai in speciaal ingerichte verblijven. Geregeld werden de dieren naar het atelier gehaald om te poseren, hetzij vrij rondlopend, hetzij geplaatst in een glazen kooi. Eens de voorstudies met de gewenste poses voorbij, zette Knip de contouren van de dieren om in grove papieren sculpturen en ze zette die op de gewenste plaatsen in de montage voor het schilderij, die meestal uit antieke meubels, gedrapeerd textiel en allerlei antiquiteiten bestond. Ze gaf haar werk anekdotische titels als ‘De muziekles’ (katjes die met instrumenten spelen) en ‘Reis om de wereld’ (poezen spelend met een wereldbol), wat haar kunstwerken iets menselijks en komisch tegelijk gaf.
Ook hield ze een inventaris van haar productie bij in de vorm van kleine waterverfschetsen, die een soort “Liber Veritatis” van haar oeuvre vormen.bron museum Mou Oudenaarde


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen